• Inhoudsopgave I. Dynamiek van het opvoedkundige proces
    • Over de psychologie van de schooljongens
    • De leerlingenbegeleider
    • De toekomst van de voorlichting en de psychoanalyse
    • Het onbewuste van ouders in de opvoeding van kinderen
    • Verzoek tot opheffing van een opvoedingsmoeilijkheid
    • Over een lacune in de psychoanalytische pedagogiek
    2. Psychoanalytische observaties van de kinderpsyche
    • Ondergoedfetisjisme bij een éénjarig kind
    • Over het godsgeloof van het kind
    • Het ontstaan van pavor nocturnus bij een kind: een aanhangsel
    • Marianne wil niet in bad
    • Kinderspel en fetisjisme
    • Almacht van de gedachten bij kinderen
    • Het magische denken bij kinderen
    • Over de theorie der domheid: een uiteenzetting over een studie van Karl Landauer
    • Menstruatieangsten
    • Over de eenvoudige mannelijke pubertijd
    3. Dynamiek van de kinderanalyse
    • Twee gevallen van stotteren
    • Een “onopgevoed” kind
    • Uit de analyse van een hondenfobie
    • Uit de analyse van een slaapwandelende knaap
  • In dit werk gaat Peter Walleghem op zoek naar specifieke kenmerken die het concept van de overdracht in de kinderanalyse typeren en verschillen van die van de volwassenenanalyse. Hij vertrekt hierbij vanuit het werk van twee eminente auteurs en clinici op het gebied van de kinderanalyse: Melanie Klein (1882-1960) en Françoise Dolto (1908-1988). De keuze voor deze analytici is vooreerst geïnspireerd door hun grote vakkennis betreffende dit thema. Daarnaast komt door de keuze voor Klein en Dolto het verschil in de hantering van de overdracht tussen respectievelijk een freudiaanse en een lacaniaanse geïnspireerde psychoanalytische visie duidelijk naar voor. De centrale vraag in het boek draait rond het verlangen van de analyticus. Na in een eerste tijd de overdrachtstheorie en de kliniek van de beide kinderanalytici te bestuderen, poogt de auteur in een tweede tijd het verlangen van de analyticus hieruit te distilleren, en bevraagt hij ook het particuliere verlangen van Klein en Dolto om psychoanalytica te worden. Door het heuristisch perspectief van het boek kan de lezer zelf zijn weg zoeken doorheen de stellingen en citaten. Het resultaat is dan ook geenszins een voorgekauwd receptenboek met aanbevolen technieken. Het is namelijk de stellige overtuiging van de auteur dat eender welke therapeutische techniek slechts effectief opereert wanneer deze zich ent op het verlangen van de analyticus.
  • Geen uitgave van Idesça maar een eerbetoon aan onze gewaardeerde collega JP Van Eeckhout en zijn laatste publicatie. Schrijver dezes werkte een aantal jaren in een Maison Verte te Antwerpen (De Speelbrug). Er zijn in Franstalig België een tiental ontmoetingsruimten die zich expliciet op het gedachtegoed van Françoise Dolto beroepen. De Speelbrug neemt een unieke plaats in in Vlaanderen, het is de enige ontmoetingsruimte Maison Verte in Vlaanderen. De medewerkers bestonden uit vrijwilligers en enkele betaalde krachten die zich samen om de veertien dagen in een vergadering vonden, waarbij spreken over hun eigen inbreng - tijdens de openingsmomenten waarvoor zij instonden - centraal geplaatst werd. Er werd op dat moment ruimte gemaakt voor een 'persoonlijk waar spreken' over hun houding tijdens het contact met de kinderen en hun ouders (opvoeders). De geschriften van F. Dolto (een psychoanalytisch geörienteerde kinderpsychiater die één van de eerste intiatiefneemster was van het eerste Maison Verte in Parijs) leverden daarbij stof tot discussie. Het was tijdens deze lectuur dat het team op de uitdrukking 'waar spreken' ("parler vrai") botste.
  • 'Rien de créé qui n’apparaisse dans l’urgence, rien dans l’urgence qui n’engendre son dépassement dans la parole”, zo poneert Lacan. Creatie duikt slechts op in de urgentie en de urgentie brengt onvermijdelijk haar overschrijding in het woord voort – al noodzaakt deze act wel een beslist engagement om dit opduikende woord te assumeren, tot het zijne te maken en ermee aan de slag te gaan. Dit is zonder enige twijfel wat Bernard Delguste, en in diens navolging zijn vertalers, hebben gedaan. Alle vier staan ze elke dag met beide voeten in wat de kliniek van de urgentie heet. Het is dan ook van daaruit dat hun spreken oprijst. In die context mogen we zonder schroom stellen dat Bernard Delguste een ruimte opende om deze tumultueuze wereld te ontvangen, een ruimte die de vertalers aangrepen om er zowel voor zichzelf als voor hun team nieuwe dimensies aan toe te voegen. Ze blijven daarbij net als Socrates zeer down to earth. Wat kan er dan ook meer op zijn plaats zijn om Kairos – de reeks van Idesça die een plaats wil bieden aan actuele hete hangijzers, aan teksten over urgente thema’s – te openen dan… een boek over urgentie? Retorische vraag wellicht. In dit opzicht plaatst Idesça zich op de positie van Aristophanes en laten we anderen spreken. Op hun hoop dat dit boek vruchtbare effecten zou kunnen genereren, kunnen we als antwoord Lacan parafraseren: zo lang er een spoor bestaat van het conceptuele kader dat hier werd uitgewerkt zal er de mogelijkheid bestaan tot een psychoanalytische kliniek – ook in de meest acute situaties van urgentie – en zullen er clinici zijn om het subject het adres te geven dat het nodig heeft. In zijn lezingencyclus Le savoir du psychanalyste zal hij bovendien aanstippen dat er eerst een vorm van “extreme urgentie” moest zijn vooraleer het analytisch discours kon opduiken. Leve de urgentie dus! We mikken er op dat dit boek zijn weg vindt naar de lezer in het klinische veld, en dat die lezer vervolgens de tijd neemt om in die lectuur zijn eigen parcours te vinden én uit te tekenen. We formuleren hierbij ook een woord van dank aan Koen van den Broek die ons zijn welwillende toestemming gaf om één van zijn werken als cover te gebruiken. Een werk dat mooi resoneert met de ‘kliniek van boorden’ die centraal staat in dit boek.
  • Om te kunnen luisteren naar het onbewuste moet een psychoanalyticus wel over een speciaal stel oren beschikken. Of niet? In de adviezen die Freud erover formuleerde blijkt de eenvoudige techniek van de gelijkzwevende aandacht te volstaan. Dat houdt in dat de analyticus aan alles wat hij hoort een onbevooroordeelde aandacht schenkt en luistert zonder te begrijpen. In dit onderzoek naar de gelijkzwevende aandacht passen we dit advies toe op het onderwerp zelf. Door niet te begrijpen stellen we snel vast dat het luisteren van de analyticus helemaal geen eenvoudige techniek maar juist een vat vol paradoxen is. Hoe zou je bijvoorbeeld door onaandachtig te zijn voor alles, aandachtig kunnen worden voor iets? Het verkennen van deze en andere tegenstrijdigheden en het problematiseren van de psychische functies van het luisteren, de waarneming, de aandacht, en het geheugen, geeft diepte aan het onderzoek naar het specifieke luisteren van de analyticus. Het mondt uit in de wetmatigheden die het luisteren dicteren. Via de taal en het subject van het onbewuste dat gestructureerd is zoals een taal loopt het naar het verlangen van de analyticus dat zijn luisteren schraagt. Als sluitstuk wordt Lacans graphe van verlangen voorgesteld als een voorschrift voor de regels waaraan het ongeregelde luisteren beantwoordt.
Ga naar de bovenkant